
De grootschalige ontwikkeling van levensloopgeschikte woningen begon in 1984 binnen de corporatiebranche. Op initiatief van directeur Nico van Velzen startte de Nationale Woningraad (voorloper van Aedes) met 40 woningcorporaties het experiment aanpasbaar bouwen. Uitgangspunt was dat basiseisen die verband houden met fysieke handicaps standaard moeten worden toegepast (bredere deuren, voldoende ruimte op strategische plaatsen, voorzieningen op de juiste hoogte). Daardoor zijn woningen direct al grotendeels bruikbaar voor mensen met een handicap. Met geringe investeringen kunnen ze worden aangepast aan veranderende fysieke mogelijkheden van de bewoners.
In de loop der jaren zijn verschillende eisenpakketten ontwikkeld voor levensloopgeschikt bouwen, zowel voor de nieuwbouw als voor verbetering van de bestaande woningvoorraad (ook wel opplussen genoemd). Deze eisen zijn samengebracht in de handboeken WoonKeur Nieuwbouw en WoonKeur Bestaande bouw, waarvan de samenstelling wordt gedragen door consumentenorganisaties, de corporatiebranche en de zorgbranche.
Gemeenten en corporaties ontwikkelden ook eigen eisenpakketten en classificatiesystemen voor lokaal gebruik. Dit zijn allemaal particuliere initiatieven. De enige formele regelgeving is opgenomen in het Bouwbesluit, dat sinds 1 juli 1997 vijf eisen bevat voor levensloopgeschikt bouwen: lage drempels, brede deuren, rolstoelbezoekbaar toilet, bredere galerijen en het reserveren van ruimte voor een lift bij 2 tot 4 verdiepingen (daarboven is de lift al verplicht).
Voor het meten van de mate waarin bij nieuwbouw en verbouw woningen tot stand komen voor ouderen en mensen met een beperking hanteren de ministeries van VROM en VWS de begrippen nultredenwoningen en verzorgd wonen. Deze begrippen zijn opgenomen in het Actieplan Beter (t)huis in de buurt van de rijksoverheid.
19-08-2009